Friday, 5 September 2003

DE HOOP OP BELASTINGCONCURRENTIE


Wat zou Uw reactie zijn als alle landen der wereld besloten dat iedereen verplicht zou worden om met dezelfde auto te rijden, en dat die auto dan ten minste 50.000 euro te moeten kosten?

De verdediging van deze, hypothetische situatie is dat sommige landen zulke hoge productiekosten hebben, dat zij niet kunnen concurreren als de andere landen goedkopere auto’s op de markt brengen. Het is absoluut unfair ten opzichte van die dure fabrieken om een lagere prijs toe te staan. Tevens stellen die dure landen dan als eis dat alle auto’s met echt lederen bekleding uitgerust worden, ook als daar geen vraag naar zou zijn. Hiervoor geldt het argument: de leerlooiers hebben te lijden van valse concurrentie van de textielindustrie, die geweven bekledingsstoffen kan maken voor een fractie van de leerprijs, als gevolg waarvan er grote werkloosheid heerst onder leerlooiers.

Hoewel dit verhaal volslagen absurd lijkt, is het wel wat Europese landen met hoge belastingtarieven eisen van landen met lagere belastingtarieven. Als de landen met lage belastingtarieven gehoor zouden geven aan dergelijke eisen, dan heeft dat een verwoestend effect op de werkgelegenheid in hun land en zou dat een grote prijsstijging voor consumenten betekenen, precies zoals in het bovengenoemde geval.

De Europese landen eisen dat landen met een relatief laag belastingtarief, landen zoals de V.S., Zwitserland en verscheidene kleinere landen, stoppen met hun oneerlijke concurrentie door middel van belasting. Het idee dat die concurrentie slecht is, is gebaseerd op het idee dat overheidsbestedingen beter zijn dan particuliere uitgaven en dat de belastingconcurrentie de mogelijkheden van de staat om de belastingen regelmatig te verhogen en daarmee de welvaartsstaat te vergroten, blokkeert.

Public choice economen, zoals de Nobelprijswinnaar James Buchanan, hebben duidelijk gesteld dat concurrentie tussen overheden gewenst is, omdat het verkwisting van overheidsuitgaven tegengaat en politici dwingt tot een bepaalde uitgavendiscipline.

Een van hun argumenten is dat politici zonder uitzondering belastinggelden gebruiken voor projecten die òf direct profijtelijk zijn voor de betreffende politicus, òf zijn kansen op herverkiezing groter maken en dat het juist die uitgaven zijn die niets positiefs opleveren.

Een zojuist gepubliceerd rapport door het gerenommeerde Bureau voor Economisch Onderzoek (NBER) met de titel: “Waarom Europa blij zou moeten zijn met belastingsconcurrentie (en de V.S. trouwens evenzeer)” door Eckhard Janeba en Guttorm Schjelderup bekijkt zorgvuldig beide kanten van het probleem en geeft als conclusie dat het belang van de pro-concurrentiekant doorslaggevend is.

De schrijvers hebben de effecten van belastingconcurrentie zowel bij de parlementaire democratieën (zoals de meeste Europese vormen van regering) en de president-congres systemen (zoals in bv de VS) vergeleken. Uit dit onderzoek bleek dat bij een groter wordende concurrentie de welvaart van de stemmer verbeterde, omdat het niet productieve uitgavenpatroon van de overheid kleiner werd en de voordelen voor de politici kleiner werden.

Eerdere studies hadden al uitgewezen dat parlementaire democratieën hogere belastingen hebben, meer overheidsuitgaven en een grotere mate van overheidsverspilling dan de presidentiële congressionele democratieën. Daarom is Europa tegen belastingconcurrentie, terwijl Amerika (en vooral de Bush regering) een voorstander is van belastingconcurrentie. De nieuwe NBER onderzoeken tonen aan dat ook de Europese parlementaire democratieën het beter zouden doen wanneer ze meer, in plaats van minder, belastingconcurrentie zouden hebben.

Het is algemeen bekend dat politici overal in de wereld trachten de overheidsuitgaven in hun eigen districten te verhogen, terwijl ze de kosten daarvan verhalen op de kiezers van alle andere districten. Politici die op dit vlak zeer bedreven zijn, zoals senator Robert Byrd, een democraat in West Virginia, zien zich telkens weer herkozen worden. De door hen gedane uitgaven om dit doel te bereiken, hebben echter vrijwel geen effect op de welvaart. De overheidsuitgaven zullen als gevolg hiervan enorm stijgen. De door de belastingconcurrentie gedaalde destructieve uitgaven wegen meer dan volledig op tegen de vermindering van de door die overheid gedane productieve uitgaven.

Omdat de VS en andere landen de Europese eisen om met belastingconcurrentie te stoppen niet honoreren, proberen de Europese landen het nu zo te regelen, dat andere landen de door mensen in die andere landen verdiende renteopbrengsten doorgeven aan het land waar de belastingplichtige woont. Om naar analogie van de auto’s terug te gaan: dit is hetzelfde als zouden de landen om gegevens over de prijs van de in het buitenland geproduceerde auto’s eisen, zelfs als die auto niet geïmporteerd zou worden in het eigen land, zodat zij hun inwoners kunnen intimideren. (notitie van de vertaler: Dit is echter alles behalve fictie. Indien een Nederlander in het buitenland eigendommen heeft die bij de plaatselijke fiscus bekend zijn, dan worden die gegevens, inclusief waarde etc. aan de Nederlandse fiscus doorgegeven. Dit gebeurt al sedert meer dan 40 jaar, zoals mijn vader ondervonden heeft.)

Hoewel de overheid van de VS de zeer extreme Europese eis om informatie heeft geweigerd, is de IRS nog altijd aan het denken aan een wat mildere versie van het Big Brother systeem en zal er binnenkort een hoorzitting gehouden worden over dit probleem. Het is verbazingwekkend dat de IRS er nog steeds aan denkt om in te gaan op dit verzoek om informatieoverdracht, gezien het feit dat er algemeen verzet tegen het voorstel is.

De nieuwe NBERstudie is weer nieuw bewijs dat het z.g. economische excuus voor een dergelijke informatieoverdracht, ter voorkoming van belastingconcurrentie, niet in het belang is van de landen die het voorstelden, en zeker niet in belang van de VS.

Richard W. Rahn

Richard W. Rahn is verbonden aan het Cato Instituut.

Notitie van de vertaler;

IRS= Internal Revenu Service= FIOD = fiscale inlichtingen en opsporingsdienst.

Vertaling door W. van Hulten.

Het originele artikel werd op 5 december 2002 in de Washington Times gepubliceerd