Friday, 5 September 2003

‘Eurosclerose’: het taaie ongerief


In de euforie van de ‘nieuwe economie’ verklaarden de regeringsleiders op de Europese Top te Lissabon (in maart 2000) dat Europa zich binnen tien jaar tijd tot de meest competitieve en dynamische economie van de wereld zou dienen te ontwikkelen met een duurzame economische groei van 3% per jaar, met meer en betere banen en meer sociale cohesie. Vooral vanwege het laatste werd deze cocktail ook wel aangeduid als ‘kapitalisme met een menselijk gezicht’. Thans, ruim drie jaar later, is duidelijk dat hier niets van terecht komt. Het Europese economische landschap biedt een trieste aanblik. Er is nauwelijks nog enige groei en de werkloosheid loopt snel op. In de economisch belangrijkste Europese landen, zoals Duitsland en Frankrijk, overschrijden de overheidstekorten het maximale toegestane percentage van 3% dat is vastgelegd in het Stabiliteitspact van de Economische en Monetaire Unie (EMU). Kortom, Europa blijkt nog steeds aan hardnekkige ‘Eurosclerose’ te lijden.

Waar komt die term ‘Eurosclerose’ eigenlijk vandaan en wat zijn de oorzaken van dat verschijnsel? In de jaren zeventig was het de Zweedse econoom Assar Lindbeck die voor het eerst de term sociaal-economische aderverkalking (socioeconomic arteriosclerosis) introduceerde. Omdat dit verschijnsel meer in Europa voorkwam dan elders in de wereld, gaf de Duitse econoom Herbert Giersch er een aantal jaren later een Europese draai aan, hetgeen resulteerde in de term ‘Eurosclerose’. Deze vorm van aderverkalking heeft betrekking op de toenemende verstarring van onze economische orde. Het verschijnsel werd voor het eerst door de Amerikaanse econoom Mancur Olson geanalyseerd. Het is een soort ouderdomsziekte van economische systemen die gedurende lange tijd stabiliteit hebben gekend. Deze komt tot uiting in vele vormen van groeiende overheidsbemoeienis met de economie, die met elkaar gemeen hebben dat zij afbreuk doen aan het soepel functioneren van het marktmechanisme. Vaak zijn zij een uitvloeisel van de opkomst van belangengroeperingen. Deze treden op als coalities die herverdeling van het nationale inkomen beogen, als ‘correctie’op de uitkomst van het ongebreidelde marktmechanisme. Zij streven daarbij naar het verkrijgen van speciale voorrechten van de overheid, in de vorm van protectie, subsidies, (quasi-) monopolistische posities of de introductie van barrières om de toegang tot, of uittreding uit specifieke bedrijfstakken te beletten. Dit heeft tot gevolg dat zij zich (gedeeltelijk) kunnen onttrekken aan de tucht van de markt. Daarmee slagen zij er in extra inkomen te verwerven ten koste van anderen. Dit alles heeft een schadelijke invloed op de dynamiek en groei van ons economisch systeem.

De therapie bestaat uit een versterking van de aanbodszijde van de economie door maatregelen gericht op een betere marktwerking. Deze benadering is tegengesteld aan de traditionele Keynesiaanse therapie die de economie aan de vraagzijde beoogde te stimuleren. Aan deze laatste benadering hebben we de hoge – en opnieuw oplopende – staatsschulden te danken die een bron zijn van zoveel economische en politieke ellende, zoals tijdens de recente kabinetsformatie maar weer eens is gebleken. En het einde van deze ellende is nog lang niet in zicht. De aanbodseconomie is daarentegen gericht op een liberalisering van marktkrachten ten einde structurele aanpassing, mobiliteit, flexibiliteit en innovatie te bevorderen. Het omvat onder meer de terugdringing van de macht van gevestigde belangengroeperingen, deregulering, vermindering van belastingen, een verkleining van de ‘wig’ (bijvoorbeeld het verschil tussen bruto- en netto-lonen) en een verschuiving van het accent van het economisch beleid van het macro- naar het micro-niveau. De gemeenschappelijke noemer van al dat beleid is de verbetering van de structuur van economische prikkels om mensen te stimuleren tot werken, sparen, investeren en ondernemen.

De gemeenschappelijke Europese markt heeft de concurrentie in Europa sterk bevorderd. In overeenstemming met de basisgedachten van de aanbodseconomie heeft dit proces in de loop der tijd de macht van vele nationale belangengroeperingen belangrijk beperkt. Maar dat geldt niet voor de zwaar-gesubsidieerde Europese landbouw. Ook de machtsposities van de nationale vakbewegingen – die wellicht de belangrijkste bron van de ‘Eurosclerose’ vormen – zijn onaangetast gebleven.

Wat de regulering betreft zijn de ambities sinds de jaren tachtig om deze terug te dringen uiteindelijk een zachte dood gestorven. In plaats daarvan heeft een explosie van nieuwe regelgeving plaatsgevonden. De (geringe) verlaging van de belastingdruk die gedurende een aantal jaren in Europa heeft plaatsgevonden was geïnspireerd door de filosofie die aan de zogenoemde Laffer-Curve, genoemd naar de Amerikaanse econoom Arthur Laffer, ten grondslag lag. Het was de grafische illustratie van een mechanisme dat reeds in de middeleeuwen was beschreven door de grote Arabische socioloog en historicus Ibn Khaldun (1332 – 1406): een soort Adam Smith avant la lettre. Hij ontdekte dat wanneer de belastingtarieven te hoog werden dit tot een verstikking van economische activiteit leidde, waardoor de totale overheidsinkomsten terugliepen. Lagere belastingtarieven daarentegen leidden tot grotere economische activiteit en daarmee ook tot hogere totale overheidsinkomsten. Vanuit de overheid gezien is het de kunst om het optimum-niveau te vinden.

Wat het Europa van vandaag betreft moet worden gevreesd dat de belastingverlagingen in het recente verleden niet recessie-bestendig zullen blijken te zijn.

Ten aanzien van de ‘wig’ kan worden opgemerkt dat dit mechanisme zich overal in de economie manifesteert. Iedereen begrijpt dat een douanetarieven van, zeg, 100% dodelijk zijn voor internationale handel. ‘Wiggen’ hebben hetzelfde effect. Zij leiden tot een aanzienlijke vermindering van het aantal transacties dat plaatsvindt in de economie. Daarmee oefenen ze een schadelijke invloed uit op de arbeidsverdeling die door Adam Smith als een van de belangrijkste bronnen van welvaart werd gezien. Neem bijvoorbeeld de belastingen en sociale zekerheidspremies op de lonen. Deze veroorzaken een grote kloof tussen bruto- en netto lonen. In Europa bedraagt de som van belastingen en premies zo’n 45% – 55% van de totale arbeidskosten. Als gevolg van het gezamenlijke effect van progressieve belastingen, premies, en inkomensafhankelijke subsidies (die worden verlaagd of ingetrokken als iemand in een hogere inkomensgroep belandt) zal de marginale ‘belasting’druk van grote groepen mensen – onder wie ook degenen die een bescheiden inkomen hebben – gemakkelijk een niveau van 50% of ver daarboven bereiken; soms zelf meer dan 100%! Dit mechanisme doodt elke economische prikkel.

Hoe zit het nu met de relatie tussen micro en macro? Een van de basisgedachten van de aanbodseconomie is dat verstarring op micro-niveau leidt tot slechte economische prestaties en instabiliteit op macro-niveau. Flexibiliteit en geneigdheid tot verandering op micro-niveau leiden daarentegen tot betere economische prestaties en stabiliteit op macro-niveau. Of, in andere woorden: als men zorgt dat de bomen gezond blijven, komt het met het bos vanzelf wel in orde. Maar dit inzicht wordt toch te veel veronachtzaamd in het huidige economische beleid. Het traditionele geloof in de effectiviteit van vraagstimulering leidt een hardnekkig bestaan. De oude geconditioneerde Keynesiaanse reflexen steken steeds weer de kop op. Zij komen tot uiting in lankmoedigheid ten aanzien van begrotingstekorten en de stijging van de staatsschuld. De rekening van dat beleid wordt doorgeschoven naar toekomstige generaties belastingbetalers die thans nog in de luiers liggen en die daardoor niet in staat zijn om te protesteren op grond van het argument: ‘no taxation without representation’.

Inmiddels is er een nieuw spookbeeld opgedoken in het desolate landschap van de mislukte aanbodseconomische revolutie, die de reeds bestaande Eurosclerose nog verder zal versterken. Met bijkans masochistisch genoegen wenst Europa zich zelf nog meer te kastijden door haar burgers met een verse laag regulering op te zadelen (sommigen zouden het zelfs ‘Stalinisme via de achterdeur’ noemen) door het Kyoto-verdrag ten uitvoer te brengen. Wat is er mis met Kyoto? Wel … bijna alles. Kyoto is een ernstig geval van collectieve verstandsverbijstering. De wetenschap die er aan ten grondslag ligt, rammelt aan alle kanten.1 Het zal honderden miljarden Euro per jaar kosten en kan tot massa-ontslagen in energie-intensieve bedrijfstakken leiden. Het zal leiden tot de oprichting van een nieuwe en bemoeizieke internationale bureaucratie. Het zal een negatieve invloed uitoefenen op Europa’s concurrentievermogen. Het zou kunnen leiden tot handelsconflicten tussen landen die wel en niet aan Kyoto meedoen. En wat voor voordelen staan hiertegenover? Volgens prominente zegslieden van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) zal het afkoelingseffect van Kyoto, zoals geamendeerd in Marrakech, 0,02 graden Celsius in 2050 bedragen – iets dat op een normale thermometer niet valt af te lezen. Waarom zijn de kiezers eigenlijk nooit geïnformeerd over de kosten/batenverhouding van Kyoto? En waarom maakt Nederland jaarlijks tientallen miljoen Euro aan andere landen over in het kader van het ‘Clean Development Mechanism’, dat beoogt elders een vermindering van de uitstoot van CO2 te realiseren, terwijl het uiteindelijke effect daarvan nihil is? Kan dat geld niet beter worden besteed? De conclusie is duidelijk. Europa dient Kyoto te verwerpen en het Amerikaanse voorbeeld te volgen, waarbij meer tijd voor studie wordt ingeruimd.

Maar de grootste prioriteit betreft toch de hervorming van Europa’s dichtgeslibde arbeidsmarkten. Tijdens de eerdergenoemde top in Lissabon werd uiteraard ook aandacht aan dit probleem geschonken. Het communiqué maakte melding van vele maatregelen die geacht werden een positief effect te hebben op de werkgelegenheid, zoals de voltooiing van de gemeenschappelijke markt, investeringen in de infrastructuur (inclusief onderzoek en ontwikkeling), de bevordering van ondernemersactiviteit, in het bijzonder voor het MKB, macro-economische dialoog met de sociale partners (het zongenoemde Keulen-proces), investeringen in menselijk kapitaal (onderwijs en scholing om de inzetbaarheid te verbeteren), publieke werkprogramma’s enz.. Al deze maatregelen hadden met elkaar gemeen dat zij een hoog ‘moederschap-en-appeltaart-gehalte’ hadden. Niemand was tegen, hetgeen een indicatie vormt van het feit dat er iets aan deze benadering schortte.

De eerder genoemde Assar Lindbeck maakt een onderscheid ‘zachte’ en ‘harde’ arbeidsmarkthervorming. Het hiervoor geschetste beleid dien als ‘zacht’ te worden gekwalificeerd. ‘Harde’ beleidsopties daarentegen omvatten loonmatiging, versoepeling van de ontslagwetgeving, minder royale en strikter toegepaste werkloosheids- en andere sociale uitkeringen, wijziging van de machtsverhoudingen op de arbeidsmarkt gericht op een vermindering van de macht van degenen die al een baan hebben ten gunste van de nieuwkomers en een vermindering van de invloed van de vakbeweging. Dit alles dient te resulteren in het herstel van het prijsmechanisme, of loonniveau, als het instrument om vraag en aanbod aan elkaar gelijk te maken. Op deze wijze kunnen de hoge (structurele) werkloosheid en de daarmee verbonden sociale uitsluiting worden gereduceerd. Lindbeck concludeert: ‘Een markteconomie kan simpelweg niet goed functioneren indien een van haar belangrijkste markten, die voor arbeid, niet als een markt mag functioneren maar als een strikt gereguleerd administratief systeem.’

Het zijn overigens niet alleen commentatoren die kritiek hebben op de slechte prestaties van de Europese economie, die een schril contrast vormen met de vermetele ambities van de Top van Lissabon. Ook de Europese Commissie hekelt de tekortkomingen. In haar recente evaluatie die in het voorjaar is verschenen erkent zij dat er enige voortgang is geboekt, maar de snelheid en omvang daarvan is onvoldoende om de Lissabon-doelstellingen voor 2010 te verwezenlijken. De produktiviteitskloof tussen de VS en Europa is niet kleiner geworden, noch in temen van arbeidsproduktiviteit per arbeidsuur, noch in termen van aantal arbeidsuren per werknemer. De toename van de door het bedrijfsleven gefinancierde onderzoek & ontwikkeling is teleurstellend. De reële arbeidskosten per eenheid produkt zijn gestegen, terwijl de inflatie hardnekkig is gebleken. Bovendien is de discipline wat betreft de overheidsfinanciën verslapt met als resultaat dat de vermindering van de staatsschulden als percentage van het BNP sinds 1996 thans to stilstand is gekomen.

De Duitse economie biedt misschien wel het meest beruchte voorbeeld van Eurosclerose. Maar zelfs in Duitsland – dat vroeger bekend stond als de economische motor van Europa, doch thans algemeen als de zieke man van Europa wordt beschouwd – begint het de politici te dagen dat er iets fundamenteel mis is met de economie. Daarom heeft Bondskanselier Schröder onlangs een breed pakket voorstellen ingediend gericht op arbeidsmarkthervorming. Het pakket bevat ook ingrijpende maatregelen à la Lindbeck. Het is nog onzeker of deze voorstellen onbeschadigd de Bondsdag zullen doorkomen. Maar wat de uitkomst ook moge zijn, het is waarschijnlijk te weinig en te laat om te voorkomen dat het Bondskanselierschap van Schröder als een periode van gemiste kansen de geschiedenis zal ingaan.

Meer in het algemeen bestaat er een politieke meerderheid in Europa ten gunste van de verzorgingsstaat. Maar de mensen schijnen zich niet bewust te zijn van het hoge prijskaartje dat daaraan hangt in de vorm van welvaartsvermindering, werkloosheid en sociale uitsluiting. Een te royale verzorgingsstaat leidt tot een verlies aan economische prikkels als gevolg van een vermindering van inkomensverschillen, die cruciaal zijn voor de motivatie van mensen om te werken, sparen, investeren en ondernemen.

De hoge structurele werkloosheid in Europa is een man-made disaster en er wordt weinig aanstalten gemaakt om er iets aan te doen. De maatregelen die tot dusver zijn voorgesteld, waren grosso modo politiek weinig controversieel. Tegelijkertijd waren zijn ineffectief of zelfs contra-produktief. Genereuze sociale vangnetten leiden tot een verhoging van het reserveringsloon van de werklozen (het minimumloonniveau dat zij bereid zijn te aanvaarden als voorwaarde voor herintreding tot de arbeidsmarkt), hetgeen de prikkels om actief werk te zoeken vermindert. Hoge werkloosheidsuitkeringen vereisen hoge sociale zekerheidspremies om de werkloosheidsuitkeringen te financieren. Deze oefenen een opwaartse druk uit op de arbeidskosten, hetgeen tot een verlies aan banen leidt. Hierdoor komt men in een vicieuze cirkel terecht.

Ten slotte wordt vaak vergeten dat economische dynamiek een continu proces van schepping en liquidatie impliceert (Schumpeter’s ‘Neue Kombinationen’: nieuwe combinaties gekoppeld aan creatieve vernietiging). Hoge kosten om mensen te ontslaan vormen een belemmering om hen in dienst te nemen, waardoor werkgelegenheid wordt vernietigd, terwijl hoge liquidatiekosten voor ondernemingen een beletsel vormen voor de aanvaarding van ondernemersrisico, hetgeen fnuikend is voor innovatie.

Wat voor conclusie kan nu uit het voorgaande worden getrokken? In 1992 was het motto van Clinton’s succesvolle presidentiële campagne: ‘It’s the economy stupid!’ Voor het Europa van vandaag geldt: ‘It’s the incentive structure, stupid!’

Hans Labohm

Noot

1. De recente verklaring van John Christy, Professor Atmosferische Wetenschappen, Directeur van het ‘Earth System Science Center’ aan de Universiteit van Alabama in Huntsville en ‘lead author’ in het IPCC-proces, voor het Amerikaanse Congres laat daarover geen enkele twijfel bestaan. Zie: http://www.eco.freedom.org/el/20030601/christy.shtml

In deze verklaring laat Christy geen spaan heel van de stelling van de voorstanders van Kyoto als zou de klimatologische wetenschap reeds zodanig niveau zou hebben bereikt dat het vaststaat dat de door de mens veroorzaakte uitstoot van CO2 tot rampzalige opwarming van de aarde leidt. Bovendien weerlegt hij de bewering dat alle klimatologen binnen het IPCC het met elkaar eens zouden zijn. Over Kyoto merkt hij op: ‘A fundamental fact that our nation needs to understand, is that any of these proposals, if implemented, will have an effect on the climate so small that we would not be able to detect it.’ Christy is niet de enige actieve deelnemer in het IPCC-proces die zich publieklijk in deze zin heeft uitgesproken. Hoe komt het toch dat wij deze informatie nooit in Nederlandse overheidspublikaties en/of kranten lezen?

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Liberaal Reveil, juli 2003.