Monday, 1 September 2003

HET DUBBELZINNIGE EUROPA


De Europese gemeenschappelijke markt heet een feit te zijn. De grenzen zijn bij de jaarwisseling opengegaan. In hoeverre daarmee inderdaad het oude ideaal van een vrij verkeer van personen, goederen en kapitalen gerealiseerd is, is een vraag waarbij enige scepsis allicht niet misplaatst is. Daarover wil ik het echter niet hebben. De gemeenschappelijke markt wordt door velen immers niet gezien als een doel op zich, maar als een stap op weg naar een verdergaande economische, monetaire en vooral politieke eenmaking. Merkwaardig daarbij is, dat die verdergaande eenmaking vooral door de overheden wordt bepleit, niet alleen de Europese overheden, maar ook de nationale overheden.

De ‘gewone’ man en vrouw lijken veeleer met zeer gemengde gevoelens tegen de ontwikkelingen aan te kijken. Zij zien de Europese instellingen vaak als een verre, ongrijpbare, bureaucratische bemoeial, die zonder enige inspraak regels en richtlijnen blijft uitvaardigen waarvan de ratio als onduidelijk tot absurd overkomt. Tegelijkertijd heerst bij vele mensen de overtuiging dat politieke eenmaking zonder meer een goede zaak is. De Europese gedachte werd en wordt nog altijd in een belangrijke mate gedragen door een politiek vredesidealisme: vrede in Europa kan alleen gewaarborgd worden door komaf te maken met het Europese systeem van nationale staten dat zo herhaaldelijk tot oorlog heeft geleid. Daar kwamen zeer snel door de koude oorlog en de internationale marktverhoudingen geïnspireerde overwegingen bij om van Europa een politieke en economische grootmacht te maken.

De vraag die de verwijzing naar vredesidealisme oproept is deze: is politieke eenmaking inderdaad het geschikte middel om het doel – vrede in Europa – te bereiken? Om zicht te krijgen op deze problematiek is het nodig een idee te hebben van de vooronderstellingen van het moderne politieke denken waarop het geloof in de vredestichtende kwaliteiten van de politieke eenmaking berust.

Een vraag die eveneens aandacht zal krijgen betreft de rol van politieke grenzen in de samenleving. De verwezenlijking van de Europese gemeenschappelijke markt betekent dat, in beginsel althans, de grenzen voor de burgers verdwijnen. De wenselijkheid van zo’n gemeenschappelijke markt blijkt niet bijzonder controversieel te zijn. Is het dan niet paradoxaal, dat politieke eenmaking wel aanleiding geeft tot verhitte discussies? De voorstanders van politieke unificatie stellen het vaak voor alsof de versterking van het politieke Europa niet meer is dan de logische voltooiing van de gemeenschappelijke markt. Vele mensen zien het blijkbaar anders. Aan een Europese overheid heeft men geen boodschap, een Europese staat – met een Europese regering en een Europees parlement – kan alleen bij een relatief kleine groep van ‘gelovigen’, erfgenamen van de idealen van de Europese Beweging, enig enthousiasme wekken. Het is echter weinig waarschijnlijk dat een verwijzing naar deze groep een verklaring kan geven voor het, vooral vanaf het midden van de jaren ’80 duidelijk zichtbare, enthousiasme van de nationale overheden voor de versterking van de politieke (overheids-) bevoegdheden van de Europese instellingen. Veeleer lijkt het mij dat de kentering in de houding van de nationale overheden een reactie is op objectieve ontwikkelingen die de betekenis van de politieke of staatsgrenzen in belangrijke mate hebben gewijzigd.

VREDE IN EUROPA: NOODZAAK VAN EEN EUROPESE STAAT?

Het spook van de oorlog is altijd al een belangrijk argument geweest in de pleidooien van de voorstanders van een Europese eenmaking. De ellende van de grote Europese conflicten uit het recente verleden – de Frans-Duitse oorlog van 1870, en vooral de twee wereldoorlogen – drukte zwaar op het wereldbeeld van de Europese Beweging die in de jaren ’40 en ’50 de eenmakingsdiscussie en -processen op gang heeft gebracht. Men kan begrijpen dat zij die de oorlog vooral als een interstatelijk verschijnsel hadden gekend, in een boven de nationale staten uitstijgende politieke gemeenschap een oplossing meenden te zien voor de problematiek van de oorlog in Europa.

In het licht van die ervaringen ligt de volgende redenering voor de hand: ‘Om oorlog te hebben moeten er tenminste twee onafhankelijke staten zijn; dus is politieke eenmaking een stap op weg naar het uitbannen van de oorlog’. Het is een aantrekkelijke, geldige redenering: geldig, want de conclusie volgt uit de premisse, en aantrekkelijk want de premisse drukt, op het eerste zicht althans, een evidente waarheid uit.

Maar de redenering is niet zo onschuldig als ze lijkt. Om te beginnen is de premisse betwistbaar. Alles draait rond de betekenis van het woord ‘oorlog’. Als men onder ‘oorlog’ alleen krijgsactiviteiten en andere militaire operaties tussen verschillende staten begrijpt, dan is de premisse waar per definitie, maar tegelijkertijd ook kunstmatig beperkt – een burgeroorlog is dan per definitie geen oorlog.

Bovendien is de geschiedenis van politieke eenmakingsprocessen (processen van staatsvorming!) overwegend een geschiedenis van oorlog en geweld. De vrede in de staat is veeleer de vrede van de overwinnaar dan de overwinning van de vrede. En de vrede van de overwinnaar hoeft niets meer te zijn dan de consolidatie van een oorlogstoestand, waarin alleen het besef van het hopeloze karakter van verzet de overwonnenen op hun plaats houdt. Indien men de oorlog als middel tot politieke eenmaking verwerpt, en toch vasthoudt aan zo’n eenmaking als finale doelstelling, dan behoort men zich rekenschap te geven van het in de staat geïnstitutionaliseerde geweld en de effecten daarvan op de samenleving. Een louter formele redenering, zoals de hierboven genoemde, laat het vraagstuk van de oorzaken van de oorlog buiten beschouwing. Zij verbergt de mogelijkheid, dat internationale oorlogen hun oorsprong vinden in conflicten binnen de staat.

HET STAATSDENKEN

De idee dat de voorwaarden voor het ontstaan van oorlog door politieke eenmaking geëlimineerd worden mist de evidentie die men haar zo vaak toedicht. Die evidentie bestaat alleen voor wie politieke processen beschouwt vanuit een door het staatsdenken gedomineerd perspectief. Onder ‘staatsdenken’ versta ik de opvatting dat staten perse – niet individuele mensen – de eigenlijke politieke actoren zijn. Deze opvatting beheerst de klassieke leer van het internationale recht die weinig meer is dan een analogische toepassing van de gewone rechtsbeginselen op de betrekkingen tussen staten.

Het probleem met die analogische constructie van het internationale recht is, uiteraard, dat wat zich binnen de staat voltrekt evenzeer verborgen blijft voor het recht als de psychische en de fysiologische processen in de individuele natuurlijke persoon. Voor het staatsdenken is de staat het ultieme subject van analyse: hij is een zelfstandige eenheid die juist als een eenheid deelneemt aan de internationale samenleving. Hoe sterk die idee van de staat als eenheid leeft in de klassieke leer van het internationale recht blijkt uit het leerstuk van de rechtvaardige oorlog, dat er zo nauw mee verbonden is. De centrale vraagstelling voor dat leerstuk is, onder welke omstandigheden een staat gerechtigd is een andere staat de oorlog te verklaren of militair te bestrijden. Voor ons is daarbij alleen van belang, dat het leerstuk geheel voorbijgaat aan de relatie tussen de overheid in de staat en de burgers of onderdanen van die staat. De vraag is immers niet, of, en zo ja onder welke omstandigheden, een overheid het recht heeft de persoon en het have en goed van haar onderdanen te confisceren of te mobiliseren voor oorlogsdoeleinden. De vraag betreft alleen de relaties tussen staten. De rechten van de onderdanen spelen geen onafhankelijke rol in de afweging. Zij worden geheel geïdentificeerd met de staat.

Vanuit dit staatsperspectief kan de oorlog inderdaad alleen maar gezien worden als een gevolg van het bestaan van vele staten. Zoals geen oorlog mogelijk is voor een man op een overigens onbewoond eiland, zo is ook geen oorlog mogelijk voor een staat die niet met andere staten geconfronteerd wordt. Het probleem van de wereldvrede heeft dan niets te maken met de interne structuren van de staat, alles met de veelheid en onderlinge onafhankelijkheid van de staten. Zo komt ‘één staat’ te staan voor vrede, en ‘meer staten’ voor oorlog. De logische conclusie van het staatsdenken is dat er eigenlijk één wereldstaat zou moeten zijn, maar als vrede in Europa het doel is, dan is een Europese staat het geschikte middel. Zolang men alleen oog heeft voor internationale verwikkelingen is dit de voor de hand liggende conclusie.

In het staatsdenken blijven de problemen van de menselijke samenleving -de samenleving van natuurlijke personen – buiten het gezichtsveld. Dit heeft te maken met het fundamentele axioma van het staatsdenken. De idee is immers dat de staat zelf de oplossing van die problemen is: binnen de staat heerst, per definitie, vrede. Om Thomas Hobbes, de onmiddellijke voorvader van het staatsdenken, te parafraseren: aan de staat danken wij onze vrede en onze welvaart. Weliswaar kunnen de problemen van het samenleven van tijd tot tijd de kop opsteken, maar dan worden zij beschouwd als een gevolg van het falen van de politieke controle, als een zwakte van degenen die de staat beheren. In geen geval worden zij toegeschreven aan de staat zelf. De staat is, in deze opvatting, de voltooide samenleving (de societas perfecta). Hij is als dusdanig formeel boven alle kritiek verheven. De staat is de juiste vorm van de menselijke samenleving, de rechte weg: de bron van het recht. Vandaar ook de idee, dat de staat, ondanks alle feitelijke gebreken, een hoger recht vertegenwoordigt dan het recht waarop de individuele mensen aanspraak kunnen maken. Het recht van wetgeving, d.w.z. het recht van de staat zich desnoods manu militari te doen gehoorzamen door “zijn” onderdanen is logisch verankerd in die als evident voorgestelde prioriteit van de staat t.o.v. de samenleving. Nogmaals Hobbes: het is een logische absurditeit te stellen dat de staat zijn onderdanen onrecht zou kunnen aandoen. In een conflict tussen staat en onderdaan ligt het recht altijd aan de kant van de staat.

In de achtergrond van dat fundamentele axioma ligt de opvatting dat de menselijke samenleving geen natuurlijke of spontane ordening kent of kan kennen. De natuurlijke toestand van de samenleving is de wanorde, de verwarring: de oorlog (Engels: ‘war’) in de oorspronkelijke zin van het woord. Voor zover de samenleving een ordening kent betreft het een ordening die haar door de staat wordt gegeven en opgelegd. De samenleving is een creatuur van de staat, er is geen samenleving mogelijk zonder staat. Wanneer de samenleving groter is dan de staat ontsnapt zij aan de ordenende kracht van de staat en komt haar natuurlijke wanorde opnieuw tot uiting. Het bestaan van vele staten verandert daar niets aan: geen van hen beheerst het geheel van de samenleving, alle zijn zij onderhevig aan de natuurlijke desintegratie-processen van het menselijke samenleven.

Een onmiddellijke toepassing van een dergelijke opvatting is, dat een Europese gemeenschappelijke markt zonder een overkoepelende Europese staat gewoon onvoltooid werk is. Die markt is dan immers groter dan de staat, onttrekt zich aan de staat, en gaat in de mate waarin ze dat doet een wanorde creëren. Een door het staatsdenken gevormde visie op de Europese problematiek laat geen andere conclusie toe.

EEN ALTERNATIEVE HYPOTHESE

Voor de hypothese, dat de samenleving wel degelijk eigen ordeningsbeginselen, en in die zin een eigen rechtsorde, kent, is in de optiek van het staatsdenken geen plaats. De belangrijkste implicatie van die alternatieve hypothese is immers, dat de staat zelf een bron van wanorde kan zijn, wanneer namelijk het karakteristieke optreden van de staat strijdig is met de aan de samenleving eigen rechtsorde. De tegenstelling wordt vaak uitgedrukt in uitspraken over de tegenstelling tussen staat en samenleving, of meer in het bijzonder tussen staat en markt. De kern van de zaak is dat de staat, optredend als overheid, zich boven de normale rechtsregels verheven acht, en ongestraft overgaat tot confiscaties, dwangmaatregelen, en andere vormen van machtsuitoefening die geen enkele grondslag hebben in de rechtsverhoudingen onder gelijken, en die ook zonder meer als misdadig gekenmerkt worden als ze uitgaan van andere personen of instanties dan de ‘overheden’.

Op grond van deze alternatieve hypothese is de oorlogsproblematiek niet in de eerste plaats verbonden met het bestaan van vele staten, maar met de inbreuken op de rechtsregels die de uitdrukking zijn van het ordelijk samenleven. In de mate waarin die inbreuken ook binnen de staat bestaan, daar zelfs geïnstitutionaliseerd zijn en als legitiem worden ervaren, is de staat geenszins een waarborg voor orde of vrede – integendeel. De staat die meer is dan een strikte behoeder van de rechtsorde biedt mensen de mogelijkheid langs politieke weg te nemen wat zij niet op rechtmatige manier kunnen verkrijgen. De keerzijde is, dat zij hen ook bloot stelt aan het risico langs politieke weg ‘genomen te worden’. In dergelijke omstandigheden is controle over de staatsmacht een kostbaar bezit. Wanneer de strijd om die controle gewelddadige vormen aanneemt dan spreekt men van een burgeroorlog. Maar ook wanneer dergelijk geweld afwezig blijft of effectief beteugeld wordt kan er sprake zijn van een ontbinding van samenlevingsverbanden en verwarring. De inzet van de machtsstrijd, in welke vorm ook uitgevochten, is immers de controle over anderen, niet de productieve samenwerking met anderen. Ook zonder dat er een schot gelost wordt leven de mensen in een toestand van oorlog met elkaar.

Uit de opvatting dat staat en samenleving fundamenteel tegenstrijdige ordeningsbeginselen vertegenwoordigen – recht versus macht – volgt onmiddellijk dat “teveel staat” een ondraaglijke last is voor de samenleving. Men kan in dit verband verwijzen naar de ineenstorting van de socialistische regimes in het voormalige Oostblok. Gebleken is, dat de staat aldaar zijn eigen economisch en uiteindelijk ook politiek draagvlak heeft wegge vreten. In een aantal gevallen heeft dit proces geleid tot regelrechte burgeroorlogen, met name daar waar een politieke unificatie aan de bevolking was opgedrongen. Politieke unificatie van verschillende staten toont zich dan meteen irrelevant voor het oplossen van de oorlogsproblematiek, wanneer zij zonder meer de aan de nationale staten eigen modus operandi overhevelt naar het supranationale niveau. Het ge
volg daarvan is immers dat de overheid op een geografisch veel grotere schaal gaat optreden: de volgens de onderhavige hypothese in de regel orde-verstorende effecten van het overheidsoptreden worden dan meteen ook grootschaliger en nadeliger, moeilijker te beheersen. In het bijzonder wordt het voor de individuele mensen moeilijker zich te beschermen tegen de effecten van het overheidsoptreden. Enerzijds neemt de afstand tot de besluitvormingscentra toe en vermindert de invloed die individuen of lokale groepen op het beleid kunnen uitoefenen, anderzijds wordt ook de afstand groter die men moet afleggen om zich buiten het bereik van de overheid te begeven. De mogelijkheden om negatieve beleidseffecten te ondervangen nemen af.

HET BELANG VAN POLITIEKE GRENZEN

Hier toont zich het grote belang van politieke grenzen. Een staat zal zijn eigen grenzen alleen overschrijden als hij bereid is het risico van een oorlog te lopen. Zijn gezag kan hij alleen binnen zijn grenzen uitoefenen, juist zoals hij alleen binnen zijn grenzen belastingen kan heffen en reglementeringen kan uitvaardigen. Zijn kracht puurt hij uit zijn territorium en wat zich daarop bevindt. Zolang zijn grenzen ook effectief zijn voor zijn onderdanen kan hij een autonome politiek voeren. Zodra de onderdanen de grenzen vrijwel moeiteloos kunnen overschrijden wordt de basis onder die autonomie van de staat weggenomen. Dit is precies wat zich in het recente verleden in toenemende mate heeft voorgedaan. Het politieke streven naar een Europese eenmaking via de weg van de economische integratie van de Europese markt, heeft ertoe geleid dat de Europese burgers een veel grotere onafhankelijkheid verwierven ten opzichte van de nationale overheid. Tegelijkertijd hebben vrij sensationele technologische ontwikkelingen op het vlak van de transport- en de communicatie-technologie de fysieke, economische en financiële mobiliteit van de mensen geweldig vergroot. Fysieke emigratie is niet langer de enige mogelijkheid om zich aan de greep van de nationale overheid en de nationale fiscus te onttrekken. De internationalisering van persoonlijke belangen is voor vele mensen een feit – hun huis, buitenverblijf, bedrijf, bankrekeningen, beleggingen bevinden zich meer en meer in verschillende landen. Zo kunnen de burgers in belangrijke mate ertoe overgaan te kiezen door welke wetgeving bepaalde delen van hun vermogen en aspecten van hun leven zouden geregeerd worden. Dat alle Europese landen een hoge fiscaliteit en een hoge regeldichtheid kennen is minder relevant dan het feit dat de structuren van die fiscale en reguleringssystemen grote verschillen vertonen – verschillen die groot genoeg zijn om een rol te spelen in de individuele besluitvorming met betrekking tot kwesties als waar wonen, waar sparen, waar kopen, waar verkopen, waar produceren. Die keuzevrijheid is juist wat de kracht uitmaakt van de natuurlijke, spontane ordening van de samenleving, aangezien zij een permanente, vrijwel geruisloze stroom van kleine, marginale aanpassingen aan veranderende omstandigheden op gang brengt die de meeste mensen in staat stelt zich voor de grootste calamiteiten te behoeden. Terwijl het liedje “Vluchten kan niet meer” de hitlijsten haalde, ontdekten meer en meer mensen dat vluchten alsmaar goedkoper werd. En omdat de mensen de neiging hebben te vluchten naar betere oorden, is het algemene effect van die grotere mobiliteit een grotere en meer stabiele welvaart.

De overheden daarentegen bleven gevangen binnen hun eigen grenzen. De economische integratie volgt de logica van de markt, van de spontane ordening van de samenleving, niet die van het overheidsoptreden. Zij is geen door de overheid beheersbaar proces, integendeel een proces dat de positie van de overheid ondermijnt. De internationalisering van de samenleving bracht met name de fiscale positie van de nationale overheden in het gedrang: ‘mobiliteit van de burgers’ vertaalt zich snel in termen als ‘kapitaalvlucht’, ‘braindrain’, ‘emigratie’. De fiscale implicaties zijn duidelijk. Uiteindelijk kan de overheid alleen mensen belasten, en dan alleen voorzover zij die in haar macht heeft. Maar mobiele burgers heeft de overheid niet in haar macht: zij kan alleen diegenen belasten die zich bij haar liever ophouden dan bij andere overheden. Van daar het zeer merkwaardige verschijnsel van de fiscale concurrentie onder de staten: het aantrekken van kapitaal, en van mensen, werd een belangrijk gegeven in de politiek. Het politieke en fiscale regime moest zo mogelijk aantrekkelijker zijn dan dat van andere landen. Dat is nu de dwingende randvoorwaarde waaraan elk nationaal beleid moet voldoen. Waar de samenleving de beknelling van de staat ontgroeit dwingt zij hem tot mensvriendelijkheid.

In deze ontwikkeling ziet men een belangrijke breuk met het verleden. Het territorialiteitsbeginsel is een van de essentiële kenmerken van de staat zoals die sedert de zestiende eeuw gegroeid is: de staat is territoriaal georganiseerd, hij oefent het soevereine gezag uit over een grondgebied en de bewoners ervan. De fiscale macht van de staat is traditioneel een bij uitstek territoriaal gelimiteerde macht. Dat feit is verbonden met het historische belang van het land als de primaire economische factor. Land, grond, is per definitie onroerend: het kan niet vluchten. Zolang het land de voornaamste bron van welvaart was, was degene die het land controleert bij machte zich de opbrengst ervan toe te eigenen. De rijke was traditioneel veel meer de gijzelaar van de macht dan de arme die zijn hele hebben en houden gemakkelijk op zijn rug naar andere oorden kon dragen. De eerste industriële revolutie veranderde daar weinig aan: de zware industrie is bijna even onroerend als het land zelf. Eens de gebouwen gebouwd zijn kan men de installaties niet meer verplaatsen, en ook niet meer verlaten dan ten koste van zware verliezen. De welvaartstoename die de industriële revolutie op gang bracht kon dan ook vrij gemakkelijk door de lokale heersers of overheden geaccapareerd worden. Onroerend kapitaal is letterlijk “a sitting duck” – overigens niet alleen voor de overheid, maar ook voor politiek georganiseerde groepen. En met dat onroerende kapitaal zijn ook de mensen die er werken gemakkelijk door de fiscus te grijpen. De klassiek fabriek is de grondstof waaruit het nu zo vertrouwde gebouw van de hedendaagse welvaartsstaat met zijn vele, nog nauwelijks te traceren, ‘herverdelingsmechanismen’ is opgetrokken. Nieuwe en snelle bouwtechnieken met goedkoper en lichter materiaal, meer compacte machines, beter georganiseerde, veelzijdiger transport- en communicatietechnieken hebben ondertussen hun intrede gedaan. Het belang van het onroerende kapitaal en van de locatie van de productieplaats is sterk afgenomen in verhouding tot het belang van meer mobiele, minder grijpbare, minder meetbare factoren als kennis, informatie, persoonlijke vaardigheden. In elk geval is het nu gemakkelijker productie-eenheden snel en over grote afstanden te verplaatsen en te verspreiden, met alle gevolgen vandien voor de fiscale macht van de staat. Aan de groei van de staat bleken inderdaad grenzen te zijn. Ook de nationaal georganiseerde pressiegroepen, die zich vooral bezighielden met het herverdelen van de fiscale koek, moesten met de nieuwe ontwikkelingen leren leven.

EUROPA ALS POLITIEK KARTEL

Kon de staat-fiscus zich er ooit mee tevreden stellen het land af te grazen, nu is hij aangewezen op de achtervolging. Daarbij stuit hij onvermijdelijk op zijn eigen staatsgrenzen, die immers ook de grenzen zijn van andere staten. In dit licht beschouwd is het voor de staat van imperatief belang zijn eigen grenzen te kunnen overschrijden en zijn fiscale arm ver daarbuiten uit te strekken. De traditionele manier om dat te doen is de oorlogvoering. Op vele plaatsen inde wereld mag men ook verwachten dat de reactie van de overheden zal zijn op de toenemende mobiliteit van de burgers en de daaruit voortvloeiende verschuivingen van de economische activiteit. Maar in Europa ligt een andere weg open, die van de internationale (lees: intergouvernementele) samenwerkin
g of kartelvorming. Een dergelijk kartel kan erop gericht zijn de fiscale en politieke posities van de leden veilig te stellen, door een deel van hun bevoegdheden over te dragen aan een “supranationale” overheid die niet gebonden is aan de landsgrenzen maar wel gecontroleerd wordt door, en alleszins nauw samenwerkt met, de nationale overheden. De supranationale overheid zou dan volgens vastgelegde regels de competitieve druk op de deelnemende staten kunnen wegnemen, zonder te raken aan de internationalisering van de samenleving en van het economisch verkeer in het bijzonder. De sleutel tot een dergelijk kartel is politieke coördinatie, d.w.z. het coördineren van het beleid van de verschillende staten, zo dat wat de ene staat doet niet langer risico’s schept voor de andere staten. Aanvullend kunnen herverdelingsmechanismen worden gecreëerd in de vorm van gedifferentieerde en compensatoire stelsels van uitkeringen uit en bijdragen aan de gemeenschappelijke supranationale kas.

Het is een interessante hypothese, de idee van kartelvorming in verband te brengen met de harmonisatie-gedachte die zo sterk in de belangstelling stond in de merkwaardige periode na 1985, toen “Europa” na lange jaren van stagnatie een onverwachte en buitengewone vitaliteit ten toon begon te spreiden. De harmonisatie-gedachte wordt niet gedragen door enige economische logica. Zoals hierboven al opgemerkt zijn juist de verschillen in de politieke en fiscale regimes van de verschillende landen interessant omdat zij gedifferentieerde keuzemogelijkheden scheppen die voor verschillende mensen in verschillende omstandigheden relevant kunnen zijn. Aannemende dat fiscale systemen welvaartsbevorderende effecten hebben, kunnen we verwachten dat verschillende mensen de verschillende pakketten van met fiscale middelen ter beschikking gestelde goederen en diensten ook verschillend zullen waarderen. De mogelijkheid voor de burgers te kiezen onder verschillende fiscale regimes (met een verschillende mix van private en collectieve goederen bijvoorbeeld) werkt dan positief uit voor het algemene welvaartsniveau. De economische integratie, voortgestuwd zowel door technologische ontwikkelingen als door de instelling van de gemeenschappelijke markt, dwingt de overheden tot een economische kosten/baten-analyse, aangezien zij nu meer dan ooit tevoren rekening moeten houden met het verlies van belastingbetalende klanten. De harmonisatie-gedachte, en meer in het algemeen de idee van internationale beleidscoördinatie, doorkruist die evolutie door de burgers het signaal te geven dat zij toch overal dezelfde situatie zullen vinden, en dat emigreren bijgevolg zinloos is.

Dezelfde politieke logica kan men terugvinden in de idee van de “ene Europese munt”. Het geldmonopolie van de overheid is voor haar een niet onaanzienlijke bron van inkomsten. Door de internationalisering van het economische verkeer, de toegenomen financiële mobiliteit van de burgers, en de mogelijkheid contractueel de eenheid van het betaalmiddel te specificeren hebben de nationale overheden echter een groot deel van de controle over de vraag naar het door hen uitgegeven geld verloren. Zij kunnen dat verlies compenseren door o ver te schakelen op een Europese munt waarvan zij de opbrengst onder elkaar verdelen, volgens een politieke verdeelsleutel. Voor de burgers staan tegenover de kosten van het wisselen van geld, waarover men zoveel drukte maakt, de voordelen van een ruim aanbod van betaalmiddelen met hun vele verschillende eigenschappen, waardoor zij een zekere bescherming hebben tegen monetaire avonturen van de nationale monetaire autoriteiten. Die bescherming gaat verloren wanneer men overschakelt op een enkele munt.

TOT SLOT

Het is, per slotsom, niet paradoxaal dat de aanvaarding van de Europese gemeenschappelijke markt geen aanvaarding impliceert van een verdergaande politieke eenmaking. Het staatsdenken, dat die implicatie wel ziet, mag dan wel een lange traditie en een grote invloed hebben, het berust op een radicale en onwaarschijnlijke visie op mens en samenleving. De gemeenschappelijke markt vergt niet meer dan instellingen die het vrij verkeer van goederen, kapitalen en personen waarborgen. Daarvoor is geen Europese overheid of wetgever nodig. Politieke eenmaking, daarentegen, suggereert precies wel de creatie van een Europese overheid, en daarmee ook van een grensoverschrijdende macht die de burgers de bescherming ontneemt die grenzen bieden tegen de nationale overheden. Tegelijkertijd zullen vele mensen ook wel het gevoel hebben, dat de huidige impulsen achter de eenmakingprocessen niets meer te maken hebben het vredesidealisme dat het gehele gebeuren aanvankelijk toch met het aura van de onverdacht goede intenties omringde.

Frank van Dun (VB 172 jan-feb. 1993)
De homepage van Frank van Dun