Wednesday, 6 October 2004

Turkije of Europa : that is the question !


Vandaag maakt de Europese Commissie officieel bekend of het Turkije rijp acht voor onderhandelingen over toetreding tot de Europese Unie. Een positief verdict wordt al officieus voorspeld en zal wellicht doordesemen in december, wanneer de politieke leiders formeel het lot van de Turkse kandidatuur beslechten. Hoewel de uiteindelijke toetreding nog meer dan een decennium hervormingen kan vergen, slaat nu dus het uur van de waarheid. Te elfder ure zwelt doorheen Europa een koor van dissidente stemmen. Zij vonden geen gehoor op de opiniepagina van deze krant, waar voorstanders het lof van een Turks lidmaatschap bezingen (DS 22 september en 2 oktober 2004). De paladijnen van de Turkse toetreding temperen echter de werkelijkheid met de verrukking van het ideaal. Turkije is nog niet klaar voor Europa, en Europa is nog niet klaar voor Turkije. Het verdict van de Europese Commissie mag geen eindpunt zijn, vindt Marc DE VOS.

De Turkse toetreding tot de Europese Unie is er één van bureaucratisch schaduwspel en voldongen feiten. In 1963 tekende Turkije een associatieovereenkomst met de toenmalige Europese Economische Gemeenschap. Europa was toen niets meer dan een vrije markt in aanmaak. Niettemin speelt het associatieakkoord nog steeds als springplank tot het lidmaatschap van een Europese Unie die ook een politieke unie is geworden, met aan de top een volwaardig Europees burgerschap. In 1989 kon Europa een Turkse kandidatuur nog afwijzen, maar in 1999 bleek de externe politieke en diplomatieke druk te groot. Door opname in de lijst van kandidaat-lidstaten werd het lot van Turkije ook voetstoots verbonden aan de zogenaamde Kopenhagen criteria, die Europa in 1993 had uitgewerkt om de toetreding van de voormalige Oostbloklanden te beslechten. Over de fundamentele vraag of Turkije en de Europese Unie überhaupt bij elkaar horen, heerste een omerta van politieke correctheid. Of een Turkse kandidatuur wel dezelfde randvoorwaarden moest kennen als de historische hereniging van Oost-Europese landen met de rest van het continent, stond evenmin ter discussie. Pas nu het startschot nadert, breekt het angstzweet uit en verbrokkelt de fa├žade van eensgezindheid.

Een debat dat veertig jaar geleden had moeten gevoerd worden, komt dus op gang op het moment dat Turks lidmaatschap een self fulfilling prophecy is geworden onder de automatische piloot van de Kopenhagen criteria. Volgens die criteria staat lidmaatschap van de EU open voor landen met een stabiele democratie, een rechtsstaat die mensenrechten en minderheden beschermt, en een competitieve markteconomie. De kandidaat-lidstaat moet ook alle verplichtingen van EU-lidmaatschap kunnen vervullen. Met dit magere lijstje is de Europese Unie weinig meer dan een regionale osmose van de Verenigde Naties en de Wereldhandelsorganisatie. Een Unie die werkelijk Europees is en werkelijk een Unie vormt, zal haar grenzen ook op andere criteria moeten stoelen. De casus Turkije confronteert ons, ondanks veertig jaar bureaucratische zalving, pijnlijk met essentiële maatschappijkeuzen.

Turkije is geen theocratie, maar evenmin een seculiere democratie naar Westers model. Mustafa Kemal Atatürk heeft Turkije met Jacobijnse hardnekkigheid in een Westers staatsmodel gewrongen. Nadien waakte een elite van Kemalisten met harde hand over de scheiding van Kerk en Staat. Telkens de teugels gevierd werden, kwam Turkije terecht in de vicieuze cirkel van andere islamitische staten: meer democratie bracht meer fundamentalisme, wat dan weer de democratie bedreigde. Een hele stoet islamitische partijen is in de loop der jaren door de Kemalisten, met de sterke arm van het leger, verboden of van de macht verdreven. De Gerechtigheids- en Ontwikkelingspartij (AKP) van huidig premier Erdogan, is de zoveelste spin-off van een verkozen en nadien verboden islamitische partij, na de laatste staatsgreep door het Turkse leger in 1997.

Erdogan – in een vorig leven zelf veroordeeld voor fundamentalisme – heeft ingezien dat zijn moslimkiezers meer uit democratie kunnen halen wanneer die onder de aegis van de Europese Unie staat. Zijn kiezers zijn voor de overgrote meerderheid vrome moslims die hun religie als superieure waardemeter beschouwen. Politieke vertaling richting fundamentalisme wordt deze keer niet onderdrukt door het leger, maar door de wortel van het EU-lidmaatschap. Godsdienstvrijheid en de scheiding van kerk en staat zijn in Turkije dus niet de rijpe vrucht van een geleidelijke en duurzame democratische consensus, maar het precaire resultaat van radicaal beleid onder externe druk. Het gevaar van een islamitische contra-reformatie is niet denkbeeldig.

Hoe artificieel het kastplantje van de Turkse democratie wel is, blijkt ook uit de retoriek in de internationale oorlog tegen terrorisme. Sinds de aanslagen van 11 september 2001 wordt Europa bezworen Turkije aan de boezem te drukken om de Islam en de moderniteit te verzoenen en een botsing der beschavingen af te wenden. Een afgewezen Turkije zou immers vervallen in een spiraal van fundamentalisme. Die retoriek verbergt de beangstigende premisse dat de Turkse democratie alleen bij gratie van de Europese Unie leeft. Irak leert ons dat democratie van binnenuit moet groeien, en niet van buitenaf kan worden opgelegd.

Een keuze voor Turkije impliceert tektonische verschuivingen voor de geopolitieke realiteit van de Europese Unie. Europa verliest een buffer tegen de Arabische wereld. Het krijgt Iran, Irak, Syrië en Azerbeidjaan als buren: stuk voor stuk broeihaarden van smokkel, terrorisme en ander onheil. Demografie zal de druk op en in de ketel verder vergroten. De Arabische buren van Turkije zullen tegen 2020 aangroeien tot boven 400 miljoen, tegenover 280 miljoen nu. Turkije zelf zal tegen 2020 wellicht 85 miljoen inwoners tellen en daarmee Duitsland voorbijsteken als meest bevolkte land in de EU. In de Europese instellingen vertaalt zo’n bevolkingsaantal zich in beslissingsmacht die naar een blokkeringsminderheid neigt. Binnen de vergrijzende EU zal de moslimpopulatie trouwens ook sterk aan belang winnen: tegenover 5 percent nu, zullen zij in 2050 minstens 20 precent van de bevolking uitmaken, Turkije niet meegerekend. Wie in deze mix geen potentiële molotovcocktail herkent, is van een andere planeet. Europa moet de realiteit van de multiculturele samenleving bevatten en bemeesteren alvorens het de sluizen openzet.

Ook economisch zou een Turks lidmaatschap een harde noot zijn. Turkije is thans aanzienlijk armer dan de armste EU-lidstaat, met een per capita BBP dat slechts een tiende van het Europese gemiddelde bedraagt. Ongeveer 35 percent van de actieve bevolking werkt er nog in de agrarische sector. Polen, de meest agrarische van alle huidige EU-lidstaten, komt maar aan 19 percent. Met de actuele regeling van Europese landbouw- en regiosubsidies zou de toetreding van Turkije gelijk staan met extra uitgaven van 14 miljard EUR per jaar. De Europese Unie is amper begonnen aan de economische integratie van tien nieuwe lidstaten. Niemand kan voorspellen hoe snel of traag die integratie zal gaan en wat haar economische impact zal zijn. Het voorbeeld van Oost-Duitsland, dat de Duitse economie al 1,25 triljoen EUR heeft gekost en nog steeds achterop hinkt, voorspelt geen instant transformatie. Roemenië en Bulgarije staan al aan de Europese voordeur. Met Turkije erbij dreigt Europa te bezwijken onder elefantiasis.

De keuze voor of tegen een lidmaatschap voor Turkije kan dus niet gereduceerd worden tot het magere boodschappenlijstje van Kopenhagen. In wezen gaat de keuze ook niet over Turkije, maar over Europa: willen we afkalven tot een regionale VN met een economisch bindmiddel, of doorgroeien met een politieke entiteit op quasi-federale leest? Voor de afzienbare tijd past Turkije hooguit in het eerste plaatje en helemaal niet in het tweede. De toekomst van het Europese continent ligt in de balans. Na veertig jaar Europese besluiteloosheid bereikt de toetredingstrein van Tu
rkije op afstandsbediening een psychologisch point of no return. Nu de publieke opinie eindelijk wakker is, mag de noodrem aan voor een broodnodig democratisch debat.

Marc De Vos

Docent UGent

Deze bijdrage verschijnt vandaag als vrije tribune in “De Standaard”.