Monday, 25 February 2013

Krediethefboom

 

Niets in het leven is er om bang voor te zijn, het moet alleen worden begrepen, - Marie Sklodowska-Curie (Poolse natuurkundige, 1867-1934)

 

 

Economische ontwrichting

Op 16 maart schreef de econoom Mathijs Bouman een artikel over een eventuele terugkeer naar de goudstandaard en waarom dat niet zo’n goed idee was.

Ik had hier een respons op gegeven en deze luidde als volgt:

,,Het uitstekende van een goudstandaard is de opbouw van een bezitseconomie. De papiergeldstandaard is in feite een schuldeconomie, welke nooit kan worden afbetaald, want zoals Elmer Hogervorst terecht opmerkt is dat bij papier een schuldverplichting bestaat van de overheid richting burger. Burgers die goud bezitten hebben deze overheidsbelofte niet. Waar Mathijs Bouman voor pleit is derhalve een verdere verarming van onze maatschappij, want schuld is namelijk het tegenovergestelde van bezit”

Waarop Mathijs antwoordde, dit meenemend in een reactie op een andere lezer:

,,Mathijs Bouman wil er wel op ingaan. Tegenover iedere schuld staat een vordering. De netto schuld op de wereld is nul. Kan niet stijgen of dalen. Denk niet in geld (= vrij irrelevant) maar in producten en diensten. Dan zie je dat we niet armer maar rijker worden

Mathijs maakte hier een klassieke denkfout die veel reguliere economen maken en dat is dat ze krediet beschouwen als geld, dus in hun optiek is dat hetzelfde en derhalve zien zij tegenover een bepaalde schuld het exacte bezit staan. Dat is wel zo in een exacte goudstandaard, maar dit is niet het geval in een systeem van fiatgeld of oninwisselbaar papiergeld.

Zoals eerder gemeld is krediet geen geld, echter in feite een claim op geld. Dat zou als eerste moeten worden onderwezen op onze leerinstituten en faculteiten, wat helaas niet of nauwelijks geschiedt.

Want wat gebeurt er, het krediet is bijvoorbeeld 10x het oorspronkelijke bezit en wordt daarom 10x uitgeleend. De schuld is dus ook 10x het oorspronkelijke bezit, want dat is het verdienmodel in het fractionele bankieren namelijk. Zodoende is het bezit 9x te veel uitgeleend. De banken doen dit om rente te incasseren, daar dit hun inkomsten vertegenwoordigt. Wanneer de schuld 10x de waarde is van het oorspronkelijke bezit dan kan het dus nooit dat er tegenover deze schuld exact hetzelfde bezit staat. Daardoor, als schuldenaren in de problemen geraken dan moet de bank deze schuld afschrijven, waardoor de bank failliet kan gaan, omdat het dan geen onderliggende waarde meer heeft voor het fractionele bankieren. Daar de banken compleet geïntegreerd zijn in een nationaal centraal-banksysteem wordt de besmetting daarbij ook nationaal.

Wanneer er ook nog eens een continentaal stelsel bestaat zoals de eurozone, dan is de besmetting eveneens continentaal. Ergo, we hebben deze problemen gekregen met een monetair systeem zonder waardedekking als goud, zilver of bimetaal.

De crux van het verhaal is dus dat Mathijs Bouman ongelijk heeft als hij stelt dat er een netto schuld is van 0. De schuld is in werkelijkheid fenomenaal en het bezit maar een fractie daarvan is. Om deze schuld te saneren is er een schuldliquidatiemiddel nodig en dat zijn de eerdergenoemde edelmetalen. Schuldlquidatie kan alleen geschieden door waardemiddelen, waar geen andere schuld tegenover staat en daar voldoen alleen goud en zilver aan. Aflossing met papiergeld is geen schuldliquidatie, doch feitelijk een schuldoverdracht van de schuldenaren richting de overheid, die het papier oorspronkelijk als schuld heeft uitgegeven, waarvan nauwelijks dekking bestaat bij de centrale bank op het huidige prijsniveau van goud wat aldaar ligt opgeslagen.

Een tweede probleem met het verhaal van Mathijs Bouman is dat hij stelt dat geld irrelevant is, want de productie en diensten zijn belangrijker. Dit klopt uiteraard, maar dat was ook de kwestie niet, de kwestie is in wezen welke vorm van betaalmiddel het beste is voor de economie. Goud en zilver zijn daarvoor de meest geijkte, vanwege de historische waardevastheid in vergelijking met andere waarde- of betaalmiddelen. De winsten en resultaten van productie en diensten moeten kunnen worden opgeslagen in een middel dat zijn waarde behoudt, waardoor dit middel kan worden ingezet voor verdere investering, kapitaalopbouw of pensionering. Wanneer papieren middelen als geld worden gebruikt dan zijn deze gemakkelijk manipuleerbaar door de overheid, omdat deze laatste de geldhoeveelheid kan uitbreiden zonder nagenoeg enige kosten. Goud en zilver hebben dit probleem niet. De overheid kan door haar gelddrukbeleid de economie dusdanig ontwrichten, waardoor de investeringsallocatie, kapitaalopbouw en zelfs pensionering in gevaar komen.  Er ontstaat derhalve een kapitaaloverdracht van de meest productieve sector, ergo het bedrijfsleven, richting de minst productieve sector, namelijk de overheid en aanpalende organisaties.

Kijken we naar de economische ontwrichting van de eerdergenoemde onderdelen dan kunnen we dit als volgt uitsplitsen:

1. Investeringsallocatie

Wanneer een bedrijf of persoon wil investeren in een nieuw project of onderneming, dan kijkt men eerst waar de meeste resultaten uit voort kunnen komen. De prijsstelling is daarbij van belang. Wanneer er een hoge prijsinflatie is dan verstoort deze de allocatie, omdat alle consumentenprijzen behoorlijk stijgen en er geen exacte prijsbepaling kan zijn. Wanneer goederen schaars zijn, dan stijgt de prijs, wanneer goederen overvloedig zijn dan daalt de prijs. Maar in een hoge inflatoire economie is dit moeilijk te bepalen, waardoor de misallocatie gemakkelijk te maken is, wat weer uitmondt in waninvesteringen, die moeten worden gesaneerd, zodra de monetaire inflatie wordt beperkt.

2. Kapitaalopbouw

Kapitaal is belangrijk, omdat dit het smeermiddel is in een economie. Iedereen wil kapitaal opbouwen, daar dit de fundering vormt voor de aankoop van een huis, vervoermiddel of luxeartikelen. Wanneer dit kapitaal onderhevig is aan uitholling, vanwege de monetaire inflatie, dan wordt de mogelijkheid om te komen tot een comfortabel levenspeil uitgesteld en in tijden van hyperinflatie onmogelijk gemaakt. Een land verarmt daardoor zienderogen, zelfs als de economie nominaal groeit. Deze groei is dan alleen bewerkstelligd dankzij de grote monetaire injecties van de overheid en centrale banken. Niet vanwege de hogere productie of natuurlijke vraag. Derhalve is het belangrijk om te kijken naar de reële groei (exclusief monetaire inflatie)  in plaats van de nominale groei (inclusief monetaire inflatie), die we veelal in overheidsstatistieken aantreffen.

3. Pensionering

Tegenwoordig is er veel commotie over pensioenen en de waardevastheid daarvan. Daar pensioen bedoeld is om kapitaal op te bouwen voor de oude dag en dit tijdens onze productieve jaren doen zien we daarentegen een afkalving daarvan dankzij de monetaire inflatie. De pensioenen zijn niet waardevast, omdat de pensioenfondsen in staatspapier (papiergeld en obligaties) hebben geïnvesteerd die onderhavig zijn aan de drukpersen van de overheid. De rentestanden worden daarbij eveneens gemanipuleerd, zodat de reële rente negatief is ten opzichte van de monetaire inflatie. Dit is reeds jaren zo. Terwijl de M0 en M1 met ca. 10-14% groeien in de eurozone komen de rentestanden niet boven de 5%. Vaak blijven deze steken onder dit niveau. Met andere woorden fondsen en personen zijn dus gedwongen om bovenmatig risico te nemen om de rendementen op te kunnen schroeven richting de monetaire inflatie. Het spreekt vanzelf dat dit een onhaalbare kaart is, enerzijds vanwege de periodieke inzinkingen op de aandelenbeurzen en anderzijds zijn resultaten van 10-14% fictief gebleken over het afgelopen decennium. Zodoende is er een enorm gat ontstaan van wat mensen verwachten van hun pensioen en wat ze daadwerkelijk krijgen. Dit besef moet nog doordringen tot de meeste mensen helaas.

Liquiditeitspiramide

Kijken we even naar de onderliggende grafiek samengesteld door de Bank voor Internationale Betalingen dan is het overduidelijk hoe zij goud zien als de ultieme fundering van de wereldeconomie.

Wat we kunnen observeren zijn vier verschillende lagen binnen de omgekeerde liquiditeitspiramide: een van geld en drie van krediet.

De eerste laag vertegenwoordigt goud en zilver (power money).

Daarboven in de tweede laag is het papiergeld, wat wordt uitgegeven door de centrale banken van de wereld en de deposito die in leen zijn gegeven aan de bancaire sector, welke beide een claim vertegenwoordigen op de eerste laag (bank loans).

De derde laag (securitized debt) is het langetermijn-krediet (hypotheken, obligaties en bedrijfsleningen) op basis van de claim gericht op de tweede laag (papiergeld en deposito).

De vierde en laatste laag is een claim op alle schulden (bezittingen) van de wereld. De zogenoemde derivaten, die op dit moment ca. 10x het Bruto Wereldproduct (BWP) bedraagt. Het BWP is op dit moment zo´n $65 biljoen en de derivaten zijn nu meer dan $650 biljoen in fictieve waarde. Zodoende kan naar schatting maar 1 op de 10 claims worden gehonoreerd wanneer het systeem ineenklapt.

Kijkend naar de problematiek van de dollar, eurozone, Japan en de Chinese zeepbeleconomie dan observeren we de langzame ineenstorting van ons monetair stelsel. Vanwege de krediethefboom heeft men het economische kaartenhuis zo opgebouwd, dat het een fragiel systeem is geworden zonder werkelijke fysieke onderbouwing, die in het verleden door goud werd verzorgd.

Gouden ketenen

De problemen die centrale banken en overheden ontmoeten zijn feitelijk gecreëerde problemen door deze instituten.

In het boek van Michel Chussodovsky en Andrew Gavin Marshall, genaamd ‘The Global Economic Crisis’ doen zij uit de doeken hoe een fiatgeldsysteem tezamen met niet-zelfliquiderend krediet haar uitwerking heeft op de economie. Dit gegeven zou nooit mogelijk zijn geweest in een goudstandaard, want J.M. Keynes begreep natuurlijk dat zijn malafide systeem direct door de goudstandaard zou worden neergesabeld. Derhalve noemde hij het de ‘bevrijding van de gouden ketenen’.

De volgorde is werkelijk opzienbarend en is als volgt:

1. Eerst creëer je krediet als centrale bank (kredietexpansie) of geeft de bancaire sector het monopolie op kredietuitgifte.

2. Dan lopen de prijzen op van bezittingen (overwaarde), want de kunstmatige vraag is hoger dan het reële aanbod.

3. Dan worden er meer consumptieartikelen, zoals auto’s, televisies, keukens, aanbouwen, vakantiehuizen etc. gekocht (kunstmatige rijkdom).

4. Dan stijgen ook de consumentenprijzen (CPI – inflatie) dit keer ook vanwege verhoogde kunstmatige vraag en het achterblijvende reële aanbod.

5. Dan stijgt de werkloosheid (als gevolg van het wegconcurreren van de productieve sector door de financiële sector en het wegebben van te dure banen naar lagelonenlanden, alles vanwege de CPI – inflatie en de hogere lonen als gevolg van deze prijsinflatie).

6. Dan stokt de kredietexpansie, omdat mensen niet zo zeker meer zijn van hun baan, hun inkomen en hun welvaart.

7. Dan daalt de waarde van bezittingen, omdat het hoogtepunt is bereikt en men niet meer bijkoopt, waardoor de kunstmatig aangewakkerde hogere productie een overschot bereikt, zo ook met huizen bijvoorbeeld.

8. Dan zitten de mensen tot over hun oren in de schuld (de waarde van de bezittingen zijn lager dan de schuld) en zijn dan in paniek en sluiten hun portemonnaies en spenderen alleen wanneer het nodig is.

9. Men heeft dan geen enkele mogelijkheid om de hoog opgelopen schuld af te betalen (daar er geen hogere productie is en deze vermindert, er heerst een hoge werkloosheid en er zijn hoge financieringskosten – ergo hogere rente plus aflossing).

10. De economische depressie is dan compleet.

11. Je geeft als overheid en centrale bank vervolgens de vrije markt de schuld en zinspeelt op ‘strengere regels’, op nationaal en internationaal niveau  terwijl het in feite de centrale bank is die hier de enige schuldige is, want de centrale bank is in wezen een monopolist, want zij hebben het monopolie op kredietexpansie, geldcreatie en rentestanden.

12. De cirkel is dan rond want je gaat gewoon op de zelfde voet verder, nog meer kredietexpansie, dit keer aan in zwaar weer belande banken, grote bedijven en zelfs landen, zodat iedereen in de problemen komt en uiteindelijk failliet gaat, waardoor de schatplichtigheid oneindig is.

Zoals men ziet is dit een eenvoudige opsomming van de feiten, mits men maar op de hoogte is van ons fiatgeldstelsel en de gevolgen van niet-zelfliquiderend krediet.

Deze kennis is natuurlijk niet nieuw, maar is door de econoom Ludwig von Mises van de Oostenrijkse School reeds decennia geleden geformuleerd in de zogenoemde Oostenrijkse conjunctuurcyclus en gaat als volgt:

,,De kredietexpansie van het fractionele banksysteem veroorzaakt een onhoudbare economische hausse. Vanwege de kunstmatige lage rentestanden worden extra investeringsprojecten ondernomen, zelfs als daar geen vergelijkbare reële spaarsaldi tegenover staan. De investeringen werden eenvoudigweg vanuit nieuw papier gefinancierd. Veel van deze investeringsprojecten vertegenwoordigde waninvesteringen, die vroeger of later dienden te worden geliquideerd. In de huidige cyclus waren deze waninvesteringen voornamelijk aanwezig in de autoindustrie, huizenmarkt en de financiële sectoren.´´

Tijdswaarde

Nog even resumerend en zoals hierboven reeds uitgelegd heeft contant geld een tijdswaarde van 0, met andere woorden, je kunt het meteen uitgeven zonder eerst deposito op te nemen van je bankrekening of waardevolle spullen om te ruilen. Dit gegeven wordt in de economie voorgesteld als M0.

Krediet heeft daarentegen een tijdswaarde van meer dan 0, dus je kunt het niet meteen uitgeven, omdat het eerst moet worden omgeruild voor contant geld, dit wordt voorgesteld alszijnde M1 (een looptijd tot 1 maand), M2 (een looptijd tot 1 jaar) en M3 een looptijd van meer dan 1 jaar. Al het uitgegeven krediet blijft immer een claim op geld (M0 dus). Om die claim te verwezenlijken moet alle krediet aflosbaar en betaalbaar zijn over een bepaalde termijn met contant geld afkomstig uit toekomstige productie. Gebeurt dit niet, dan dreigt er bankroet en faillissement.

Omdat wij nu een schuldeconomie hebben gecreëerd met de afschaffing van de goudstandaard in 1971 (Bretton Woodsakkoord 1944-1971), is deze economie steeds verder uitgebouwd met krediet dat niet meer financierbaar is. Ergo, wat we kunnen benoemen als niet-zelfliquiderend krediet. Niet-zelfliquiderend krediet is krediet dat niet kan worden afgelost zelfs met een hogere toekomstige productie, omdat de rente een enorm deel van de afbetaling vormt. Een situatie die in veel landen in de wereld, waaronder nu tevens in Europa, van toepassing is.

Tijdens de goudstandaard was dat onmogelijk, daar al het krediet moest kunnen worden geliquideerd over een bepaalde termijn met de zogenoemde goudclausule, welke inhield dat de schulden nooit zo hoog konden oplopen, want de liquidatie moest te allen tijde op een bepaalde contractueel afgesproken datum geschieden. Deze schulden werden derhalve aangegaan door bedrijven en personen, die dit konden betalen uit productie van goederen en diensten, we kunnen dus stellen dat zelfliquiderend krediet ook wel productief krediet is, omdat daar toekomstige productie tegenover staat.

Anders is het als men consumptie gaat financieren om de productie te kunnen aanjagen, ergo, consumptie, waar geen directe productie aan vooraf gaat of tegenover staat. Deze productie is er dus nog niet, maar moest kunstmatig worden gecreëerd. Dit is in feite de basis van de Keynesiaanse economie en dit soort denken heeft naar aanleiding van de grote depressie van de jaren 30 en 40, alsmede de huidige grote crisis compleet gefaald.

De reden is simpelweg dat toekomstige productie alleen kan worden bewerkstelligd als daar een vaste basis voor is. De Keynesiaanse vraageconomie zet in feite het paard achter de wagen. In het blad The Economist in 1983 werd dit Keynesiaanse ´vraagmodel´ reeds onderuit gehaald, omdat de jaren 70 hebben aangetoond dat de monetaire papiercreatie op een fiasco is uitgelopen. Aan het einde van de jaren 70 was de werkloosheid hoger dan aan het begin, echter wel met een enorme prijsinflatie eraan gekoppeld. Deze jaren noemen we dan ook de jaren van stagflatie (stagnatie en inflatie). De monetaire inflatie was enorm en vloeide door middel van de kapitaalstroom rechtstreeks richting producenten- en consumentenprijsindex. Dit werd destijds verklaard door de monetaristen, waaronder Milton Friedman, alszijnde de geldkwantiteitstheorie, wat deels een juiste constatering is geweest.

Echter, er speelt nog iets anders en dat is de opbouw van schuld. Volgende keer wil ik het hebben over de schuldopbouw en de reden waarom we in een deflatoire economische inzinking terecht zijn gekomen. Stagflatie was namelijk een ´luxe´, die we niet in de huidige K-winter aan zullen treffen.

 

Bronnen:

Essays:

Monetary Policy Transmission in a Changing Financial System; Lorenzo Bini Smaghi, Bank for Internationals Settlements, 14 juni 2010, Bazel, Zwitserland

Terug naar de Gouden Standaard?; Mathijs Bouman, RTL-Z, 16 maart 2011, Nederland,

The Moral Hazard of the Euro; Jesus Huerta de Soto, 28 maart 2011 Mises Institute, Auburn, Al. USA,

Gold: Now That’s a Track Record; Doug French, 17 maart 2011, Mises Institute, Auburn, Al. USA,

The Politics of Gold; Jude Wanniski, 4 september 1980, Polyconomics Institute, SupplySide University, USA

 

Literatuur:

The Global Economic Crisis; Michel Chossudovsky & Andrew Gavin Marshall, Global Research Publishers, mei 2010, Montreal, Canada

Human Action, Ludwig von Mises, orig.1949, Von Mises Institute, december 1998. Auburn, Al. USA

Dit artikel is eerder verschenen op Vrijspreker.nl.